Skip to main content

In het boek ´Yoga als Kunst van het Ontspannen´ (1) komt de zin voor die zegt dat wie een stof aanraakt, niet die stof voelt, maar alleen wat er in zijn vinger gebeurt. Sommige critici hebben dit niet alleen in twijfel getrokken, ─tot onze grote vreugde, want wie uitspraken klakkeloos overneemt komt nooit tot diep inzicht─, maar ook beweerd dat dit geen yogafilosofie is, maar een visie van de verwoorders. Daarom wordt in dit artikel een poging gedaan om uit te leggen waarom wij op een bepaald niveau alleen kennen wat er in de vinger gebeurt, en tussendoor verwezen naar teksten die iedereen, ─naar wij aannemen─, als onbetwistbaar orthodox zal kunnen aanvaarden, of op z´n minst als authentieke Indiase bron, en niet als product van de fantasie van westelijke schrijvers.

Het kernpunt van de Vedanta (Jnana Yoga) kan op allerlei manieren worden geformuleerd, bijvoorbeeld als volgt:

“De mens is niets anders dan Bewust Zijn, en datzelfde geldt voor de hele schepping.
Zelfrealisatie is de levende ervaring dat alle dingen, inclusief ikzelf, bestaan uit één ondeelbaar Bewust Zijn.”
(Shri P.Krishna Menon, Atma Darshan 4:7).

Illusie bestaat er uit bepaalde dingen, stukjes van de schepping zoals het lichaam of de voorstelling die men ´een persoonlijkheid´ noemt, aan te zien voor wat men wezenlijk is. De ´wereld´ bestaat voor ieder wezen pas wanneer die verschijnt in het Bewuste Zijn. Men zou kunnen zeggen dat wat wij de wereld noemen niets anders is dan een aantal bewegingen in dit Bewuste Zijn.

Om tot deze ontdekking te komen, ─niet als een theorie naast vele andere, maar als geleefde ervaring─, gebruiken de traditionele gurus in India tal van benaderingen, waarvan elke één of meer poten weg zaagt onder de stoel van onze onwetendheid, dat wil zeggen: van onder onze overtuiging dat het lichaam of de persoonlijkheid ´ik´ is, in plaats van dit Bewuste Zijn.
Zo´n benadering heet een prakriya. Daarvan zijn er, als we ons dat goed herinneren, zo´n 150 te vinden in de vedantische literatuur, en verder ontspringen ze met allerlei varianten aan de lippen van de gurus die telkens weer andere leerlingen met andere problemen een uitleg geven om duidelijk te maken dat hun probleem uiteindelijk altijd een schijnprobleem is, omdat elk probleem voortkomt uit de onjuiste overtuiging dat men een lichaam of een persoonlijkheid is.

Het verhaal van de vinger en de stof is uit één van die 150 gecodificeerde prakriya´s, en deze zaagt een poot weg onder de stoel van degene die denkt dat de wereld mij ervaringen geeft, in plaats van omgekeerd, namelijk: dat de wereld, wil zij kunnen verschijnen, afhankelijk is van het Bewust Zijn dat wij zijn. Als dit Bewuste Zijn er niet zou wezen, zou daar geen beweging in kunnen ontstaan, noch gevoel, noch gedachte, noch zintuigelijke waarneming. De Vedanta zegt, met andere woorden, dat ´de wereld´ niets anders is dan dit ene ondeelbare Bewuste Zijn met vorm (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de diepe droomloze slaap waarin alle vormen zijn opgelost en wij alleen zijn als Bewust Zijn zonder vorm).

Nu zou het best kunnen gebeuren, ─in feite gebeurt het heel dikwijls─, dat er iemand bij een Guru komt en zegt: “De Vedanta beweert dat deze wereld illusie is, maar als ik met mijn hoofd tegen de deur loop krijg ik een buil, met andere woorden: deze wereld geeft mij allerlei ervaringen, plezierige en onplezierige.” Afgezien van het feit dat de buil ook deel uit maakt van de wereld, en dus even reëel of irreëel is als de rest, zou het kunnen dat de Guru de leerling probeert duidelijk te maken dat niet de wereld hem ervaringen geeft, maar dat hij, de leerling, een ononderbroken Ervaring is, van het ogenblik van zijn geboorte af tot nu toe, en dat in die ene Ervaring talloze bewegingen, trillingen verschijnen die hij heeft leren interpreteren als ´de wereld´. In een dergelijk verband past de prakriya van de vinger en de stof.
“De wereld”, zegt de Guru bijvoorbeeld, “is niets anders dan een verlengstuk van de zintuigen” (2) of : “Wat jij de wereld noemt, vorm, is niets anders dan het zien.” (3) Als het zien een bepaalde vorm aanneemt, projecteer jij de werkelijkheid die jij zelf als Bewust Zijn bent, de vorm in, en dan denk je dat er een echte wereld bestaat. Maar het enige echte in die wereld is jouw eigen tegenwoordigheid als Bewust Zijn, als het zien, als waarnemendheid, ─en dat geldt zowel in de wakende toestand als in de droom.

De wereld is dus niets anders dan een verlengstuk van het zien, niets anders dan het zien zelf. Met andere woorden, wat wij ´de wereld´ noemen is, ─zolang we de wereld aanzien voor echt en onafhankelijk van onszelf─, een projectie van binnen naar buiten. De werkelijkheid die we ´van binnen´ wezenlijk zijn, projecteren we via de zintuigen naar ´buiten´, en zo maken we van bewegingen in het bewustzijn een solide onafhankelijke wereld. De vorm, de soliditeit die de wereld aanneemt, hangt af van ons standpunt, dat wil zeggen van dat waarmee we ons op een gegeven moment verweven. Beleef ik mezelf als een dromer, dan is de naar buiten geprojecteerde wereld een droomwereld, en op dat ogenblik beleef ik die als realiteit. Beleef ik mezelf als kijker, dan wordt er precies zo een optische wereld naar buiten geprojecteerd, en dan beleef ik die op dat ogenblik als realiteit.

Als dus op een gegeven ogenblik ons standpunt een bepaald zintuig is, ─zoals het oog in het voorbeeld van zojuist─, dan is de wereld niets anders dan het verlengstuk van het oog. Het is het oog dat een optische wereld schept uit het Bewuste Zijn dat de grondstof is van alle dingen. Als wij geen ogen hadden en als wij geen kleuren konden zien (beter: produceren), dan zou de wereld van vormen voor de mens niet bestaan. Of stel dat we blind en doof waren, geen reuk en geen smaak hadden, maar enkel een tastzintuig; wat zouden we dan ´de wereld´ noemen? Dan zou de wereld voor ons bestaan uit warm en koud en hard en zacht, en uit niets anders. Misschien is dat wat een worm beleeft als wereld. Als ons lichaam uitsluitend het tastzintuig had, bestond voor ons de wereld van kleuren en geuren en geluiden niet. Dat houdt in dat een bepaald zintuig, als het over een ander zintuig wordt ndervraagd, alleen maar kan zeggen: “Nog nooit van gehoord.” Het oog kan zich niet voorstellen wat geluid is, en daarom ontkent het alles wat geen vorm en kleur heeft. En zo bestaat de wereld van optische vormen en kleuren niet voor een blindgeborene: hij kan er zich geen voorstelling van vormen omdat zijn wereld bestaat uit wat zijn vier zintuigen produceren.

Produceren wel te verstaan, en niet: waarnemen. De zintuigen produceren namelijk uit die ene aller intiemste grondstof van het Bewuste Zijn, dat de ingrond is van ons bestaan, en de enige grondstof in dit heelal. In de woorden van een van de bekendste gurus van deze eeuw (4):

“Omdat we ons aangetrokken voelen door het overal aanwezige zijns-aspect (Sat) van het Absolute, gaan we op onderzoek uit om te kijken wat het is, en onmiddellijk gebruiken we onze zintuigen om dat karwei op te knappen. De zintuigen projecteren onmiddellijk hun respectievelijke eigen objecten, en projecteren hun eigen vorm op het Zijn dat we beleven en ze projecteren het altijd-tegenwoordig-zijn van het Absolute op de vormen die er eerst op werden geprojecteerd.”

Of, anders geformuleerd (5):

“Wat we zien is het zien, of vorm; dit tweede woord betekent hetzelfde als het eerste. Precies zo is ´geluid´ een synoniem van ´horen´. Ik hoor het horen, of ik hoor geluid”, enzovoort. Een vorm (de wereld) is niets anders dan het horen of het zien zelf. Dit alles brengt ons tot één van de fundamentele stellingen (geen dogma´s!) van de Vedanta, namelijk dat dingen, objecten, alleen bestaan als ze worden waargenomen, dat wil zeggen dat, ─dit is nnze eigen formulering─, trillingen of bewegingen in het Bewuste Zijn alleen maar bestaan zolang ze bestaan (6).

In het beroemde boek dat de tekst bevat van de Mandukyopanishad met de commentaren van Gaudapada, Shankaracharya en Swami Nikhilananda (7) wordt omstandig uitgelegd dat de onwetende twee soorten objecten onderscheidt: interne zoals gedachten, en uiterlijke zoals stoelen en tafels. Hierover wordt bijvoorbeeld gezegd:

“Het Allerhoogste (´God´ of het ´Zelf´) verbeeldt zich soms, met de geest naar buiten gericht, verschillende objecten (zoals geluid enzovoort) die al van tevoren in zijn geest aanwezig zijn (in de vorm van automatismen, neigingen of verlangens). Dan weer verbeeldt het Zelf zich (met de geest naar binnen gericht) verschillende gedachten (of objecten van gedachten).”

De commentaren op de klassieke teksten gaan meestal in stappen, om de leerling geleidelijk aan mee te nemen van zijn illusie naar de waarheid. In eerste instantie legt het commentaar uit dat zowel de stoffelijke als de mentale dingen allemaal een geestelijk (mentaal) verschijnsel zijn. Dan zegt de eerste aantekening:

“Het onderscheid tussen interne en uitwendige objecten wordt veroorzaakt doordat er verband gelegd wordt met twee waarnemingsorganen, namelijk de geest en de zintuigelijke organen. Als er alleen sprake is van de geest kennen we inwendige objecten (gedachten en gevoelens), en als er verband gelegd wordt tussen zintuigen en geest nemen we uitwendige objecten waar, of, in andere woorden, projecteert het Zelf inwendige ideeën met behulp van zintuigen naar buiten en laat die (ideeën) zo verschijnen als stoffelijke objecten. Dit onderscheid tussen inwendig en uiterlijk is (echter) onjuist.”

Ook dit commentaar volgt dus de redenering dat de geest een zintuig gebruikt om een idee naar buiten te projecteren, maar komt verderop terecht bij de verklaring dat er niets anders bestaat dan ideeën die enkel bestaan zolang ze bestaan, en dat het dus onhoudbaar is om te beweren dat de wereld ook bestaat als ik slaap, of voor mijn geboorte of na mijn dood. Wel, die dingen bestaan niet, dat wil zeggen: ze bestaan alléén op het ogenblik dat ik me vereenzelvig met een bepaalde frequentie, genaamd het tastzintuig, of met het geheugen daaraan. Ik heb een idee dat er een solide materiële wereld bestaat, namelijk in de eerste plaats mijn eigen lijf, en daarbuiten poezen en piramides en zo, en dat idee wordt met behulp van het tastzintuig naar buiten geprojecteerd, en floep, daar is een materiële wereld die ik ervaar als echt.

Maar in feite ervaar ik alleen wat het tastzintuig projecteert, of mijn geloof in het tastzintuig. In feite ervaar ik niet een wereld, maar de truc die het tastzintuig en mijn geloof daarin, ─het geheugen en zo─, als konijn uit de hoed halen. Ik zie geen wereld want die bestaat niet. Ik zie wat er gebeurt in de zintuigen, en dat projecteer ik naar buiten, en zo maak ik van wat in werkelijkheid allemaal leegte is een solide wereld, die echter uitsluitend bestaat als truc van de zintuigen, niet in werkelijkheid. Ik beleef, met andere woorden, wat er in de zintuigen gebeurt, geproduceerd wordt, maar ik geloof dat ik iets waarneem dat buiten mij bestaat en dat mij ervaringen geeft. Aldus de Heer Shankara.

Aldus wordt al duizenden jaren lang telkens weer door Guru en leerling een groot aantal weggetjes afgelopen van de illusie in de leerling naar de vrijheid die de Guru is, ─die de leerling ook is, maar zonder het te beseffen. De argumenten in deze en verwante prakriya´s komen er op neer dat men geen wereld kan kennen die niet bestaat. Zien we ´de wereld´ dan zien we in werkelijkheid de activiteit van één zintuig tegelijk dat zijn eigen vorm projecteert op het Zijn, op de ´leegte´, op het Bewuste Zijn.

Zoals gezien is de prakriya daarmee niet af. De Guru zal de leerling zonder twijfel laten zien dat het zintuig niets anders is dan een manier van denken, ─een beweging in het Bewuste Zijn─, en dat tenslotte elke gedachte en dus elke manier van denken niets anders is dan het ene Licht dat zowel de Guru als de leerling altijd zijn en geweest zijn, inclusief de hele, door zintuigen plus geheugen geschapen wereld.

Daarom is er geen ontbinding en geen geboorte, niemand die gebonden is, niemand die op zoek is naar wijsheid, niemand die naar bevrijding zoekt en niemand die bevrijd wordt. Dit is de absolute waarheid.

***

(1) Yoga als Kunst van het Ontspannen, Keers, Lewensztain, Malavika, Uitg. Het Spectrum, 2e druk 1978.
(2) Jean Klein, ontelbare malen in Yoga en Vedanta, Yoga Advaita, etc. etc.
(3) Atma Darshan, Shri Krishna Menon, Hst.18,2.
(4) Spiritual Discourses of Shri Atmananda 1950─59 pag. 23 : 1951/15 (Atmananda = Shri Krishna Menon).
5) Idem : 1951/63 pag. A7.
6) Idem : 1951/123 pag.67, 68.
7) Mandukyopanishad with Gaudapada´s Karika and Shankara´s Commentary, Uitg.Rama Krishna Mission, Mysore 2, Hoofdstuk II diverse plaatsen. Slotcitaat idem. Deel II nr. 32.