‘Alleen de waarheid is waar.’

Jan van Delden (Den Haag, 1951) was de rechterhand van de Nederlandse leraar Wolter Keers. Die was op zijn beurt een leerling van Ramana Maharshi en Krishna Menon, twee van de belangrijkste vertegenwoordigers van Advaita-Vedanta – de leer van het non-dualisme – in het India van de eerste helft van de vorige eeuw. Sinds eind jaren ’90 van de vorige eeuw heeft hij zich beschikbaar gesteld om aan zoekers door te geven wat hij zelf ‘gratis en voor niets’ had gekregen.

Als leerling van Wolter Keers liggen zijn roots in de leer van de Advaita-Vedanta maar hij heeft daar zijn eigen unieke uitleg aan toegevoegd: de Stoelendans, de Odyssee en sinds 2008 Een Cursus in Wonderen. In de visie van Jan zit achter al die verschillende tradities hetzelfde thema, de tocht van de zoeker ‘naar huis’ die er uiteindelijk achter komt dat hij ‘terug van nooit weggeweest’ is.

‘Eerste Oorzaak is alomvattend,
dualiteit bestaat niet.’

Jan herkende zijn eigen zoektocht in de verhalen van Odysseus. Al vroeg geconfronteerd met de pijn, wanhoop en onrechtvaardigheid in de wereld ontstond in zijn jeugd het ideaal de wereld te verbeteren. Hierop stukgelopen belandde hij eind jaren zeventig op een lezing van Wolter Keers die hij de vraag stelde: “Hoe komt het dat ik niet weet wat liefde is?” “Omdat liefde het enige in de wereld is wat je nooit kunt vinden. Dat ben je.”

Onvermoeibaar komt Jan de zoeker tegemoet om onze tijdloze en onveranderlijke eenheid te mogen herkennen. Via verschillende beeldspraken blijft hij onophoudelijk wijzen op wat we in wezen al onveranderlijk zijn. Het inzicht ‘dat we al thuis zijn en niet hoeven thuis te komen’ betekent het aanvaarden dat we geen hoofdrolspeler / slachtoffer / dader zijn ín de droom maar de dromer van het geheel. Die dromenmaker is zelf veilig buiten de droom, thuis bij God, de Vader/Bron, het Zelf, Parabrahman en droomt heel deze pijn, angst en dood droom. Het zijn slechts tot beeld gemaakte/ geprojecteerde gedachten in ons Ene voor Eeuwig smetteloze Kennen, ons Stille Zijn.

‘Niets werkelijks kan bedreigd worden,
niets onwerkelijks bestaat.’

Jan besteedt veel tijd aan het leren aanvaarden en verankeren van het feit dat we ‘al thuis zijn’ door middel van wat hij ‘suizen’ en ‘breed kijken’ noemt: het innerlijk schouwend verwijlen ofwel ‘de Stem van God’. Door het zo gaan ‘bewonen’ van ons stille Zijn dat altijd ‘aanstaat’, het in de aandacht leren houden terwijl de droom schijnbaar gewoon doorgaat, raken we er vertrouwd mee en kunnen we boven het maaiveld uitkijken op wat de wereld leek te zijn.

Steeds legt Jan weer de nadruk op:

Zo schouwend bevrijd je niet alleen jezelf als dromenmaker maar ook jezelf als mens inclusief al die andere droomfiguren in hun rollen als ouders, collega’s, kinderen enzovoort. Want we delen voorbij aan al die droombeelden hetzelfde Ene Stille Zijn, dezelfde Ene Kennendheid. Ongeacht wat de ‘hoofdrolspeler’ met jouw naam lijkt te doen of te laten, dit geldt voor iedereen in de droom. Je gaat bij jezelf en iedereen dezelfde onschuld zien waar je eerst schuld en dreiging, angst en pijn zag.

‘Waar is alleen dát wat op ieder moment,
in elke omstandigheid, voor iedereen,
onveranderlijk waar is.’

Jan nodigt je uit om samen met dát deel van jezelf dat nooit is gaan dromen naar de oorzaak van de verdroming te leren kijken. Om zo het ego, met al zijn aanval- en verdediging strategieën, zijn verhalen van schuld en angst opgebouwd in een verleden ‘te wegen en te licht te bevinden’ en te doorzien als ‘niet waar’. Jan reikt je de hand om dat ene innerlijke antwoord dat we zoeken, blijvend aan onszelf terug te geven en zo het LIEFDE-Zijn te delen met wat voorbij aan de dromenwereld EEN-SAMENHEID is.