Wolter Keers
De misvatting dat we iets moeten doen om ´verlicht´ te worden is zo diep in ons geworteld, dat het de meesten van ons jaren kost voordat we beginnen te begrijpen dat het inderdaad waar is dat water echt niets hoeft te doen om ´weer´ natheid te worden. Water, echt waar, heeft nooit opgehouden met natheid te zijn, ook al heeft water misschien jaren of eeuwenlang gedacht dat het iets droogs was.
Met andere woorden: wij menen dat wij iets zijn, een serie dingen zoals lichaam, ziel, een denker, een werker, een zoon of dochter enzovoort, maar wij zoeken naar wat we wezenlijk zijn, en wij staan er op dat we moeten veranderen om uiteindelijk te kunnen worden wat we wezenlijk zijn.
Totdat we dan uiteindelijk, aan het eind van wat misschien een moeizaam pad lijkt, ontdekken dat we de hele tijd, elk ogenblik van ons leven, geweest zijn wat we overal hebben gezocht, en dat er, heel echt waar, niets te doen viel en niets te begrijpen viel om te worden wat we bij voorbaat al waren.
Door dit misverstand worden er heel wat geestelijke activiteiten ontplooid onder de verzamelnaam ´meditatie´, die er op gericht zijn om bijvoorbeeld onze geest te zuiveren, ons lichaam gezonder te maken, onze kracht te versterken, kortom: om beter te worden. Maar als het waar is dat ik niet het lichaam uit de wakende toestand ben, en niet een lichaam waar ik me mee vereenzelvig in de droom, dat ik niet allerlei verschijnselen ben zoals de activiteiten van de zintuigen en van de verschijnende en snel weer verdwijnende gedachten, dat ik ook niet die voorstelling, die fantasie ben die ik ´mijn persoonlijkheid´ noem, ─dan moet het geleidelijk aan ook duidelijk kunnen worden dat het mij geen centimeter verder zal brengen als ik mijn tijd en energie wijd aan het verbeteren van al die dingen die ik niet ben.
Iemand die van plan was een eind aan zijn leven te maken sprak over dat onderwerp met Sri Ramana Maharshi, waarop deze, vrij vertaald, zei: “Als je ongelukkig bent kun je natuurlijk best dit arme lichaam in elkaar slaan, maar wat kan dat aan jouw ongeluk doen? Is het er verantwoordelijk voor? Je kunt net zo goed die tafel daar in elkaar rammen.” Waarop hij de betrokkene duidelijk maakte dat niet het lichaam verantwoordelijk is voor ons ongeluk, maar het feit dat we ons voor dit lichaam aanzien, dat we er ons mee vereenzelvigen. Vrijheid, geluk, dat wat we wezenlijk zoeken, is het verdwenen zijn van deze vereenzelviging.
Het is wonderlijk te zien hoe dat in zijn werk gaat. Als ik droom dat ik Napoleon ben, of de
Koningin van Engeland, ben ik tijdens deze droom volmaakt overtuigd dat ik inderdaad Napoleon ben, of Hare majesteit. Pas als ik de volgende ochtend wakker word, lach ik om de droom, en vertel die met wat zelfspot aan mijn vrienden of familie.
Terwijl het een of andere verschijnsel opdoemt in denken en voelen, ben ik er volmaakt van
overtuigd dat ik dit verschijnsel heb: dit lichaam, de activiteiten van het lichaam, van de zintuigen, van denken of voelen, of de een of andere sociale rol die mijn omgeving voor me bedacht heeft. Als het lichaam op een bepaalde manier beweegt zeg ik dat ik loop; evenzo beweer ik dat ik denk, dat ik voel, dat ik Napoleon ben of onderwijzeres of lid van deze of gene vereniging. Zodra ik mij verweef met dit tijdelijke verschijnsel, het lichaam, beleef ik dit alsof ik nooit anders ben dat dit verschijnsel. Wanneer het lichaam opduikt, ─meestal verschijnt er maar een klein stukje in het bewustzijn─, ben ik er onmiddellijk zo mee verweven dat ik met volle overtuiging zeg dat ik twintig, veertig of zestig jaar oud ben. Terwijl, zelfs biologisch gesproken, geen molecuul in dit lichaam er al zoveel jaar deel van uitmaakt. Twintig of vijftig jaar is een idee, niets meer en niets minder. En als ik beweer dat ik zoveel jaar oud ben, verweef ik me met een bepaald begrip. Op een gegeven ogenblik kan de vraag dan in me opkomen: Maar ben ik echt een begrip? Ben ik echt zo’n voorstelling in mijn hoofd, die ik ´mijn persoonlijkheid´ noemen? En dan blijkt natuurlijk, na even scherp te hebben gekeken, dat daar geen sprake van kan zijn. Ik ben niet een verschijnsel, een voorstelling die enkele keren per dag in het denken verschijnt. Ik ben er ook als die voorstelling er nog niet is, en als die weer is verdwenen.
Het lijkt me nuttig om deze overwegingen na te gaan, voordat we besluiten om te gaan mediteren. Want als het bovenstaande waar is, heeft het weinig of geen zin om dagen, maanden of misschien jaren te besteden aan het veranderen van dingen die we niet zijn. Met een variatie op de uitspraak van Shri Ramana Maharshi: Je kunt net zo goed die tafel veranderen. Aan de andere kant van het meditatieverhaal, staan in de traditionele geschriften talloze uitspraken te boek in de geest van: “De verlichte bracht al zijn dagen door in contemplatie van het Zelf” en dergelijke meer. Je zou er uit af kunnen leiden dat de verlichte, die niets meer te zoeken heeft, toch zijn hele leven doorbrengt met mediteren. Hoe valt dit te rijmen ?
Als meditatie moet leiden tot vrijheid, geluk of de uiteindelijke zelfkennis, kunnen we negentig procent van wat meditatie genoemd wordt laten vallen. De vrijheid die ik zoek, is het wegvallen van elk idee dat ik een beperkt wezen ben in tijd en ruimte, kortom: het wegvallen van een door het denken geprojecteerd wezen. Zolang mij nog niet duidelijk is gemaakt wat ik ben en wat ik niet ben, blijft meditatie vrijwel zeker een sleutelen aan dingen die ik niet ben. Pas wanneer ik weet hoe het perspectief ongeveer ligt; pas wanneer ik, ─al is het nog maar vaag─, begrepen heb dat ik niet een voorstelling ben in het denken of voelen, kan meditatie mij helpen om al mijn bijgeloof kwijt te raken. Meditatie wordt dan het kijken, in scherp helder licht, naar de dingen die ik niet ben; niet om die te veranderen en te verbeteren, maar enkel om te zien dat ik die niet ben. Dan zie ik dat ik noch een goed karakter, noch een slecht karakter ben, maar Stille Aanwezigheid, ´t Lichtende Bewustzijn, waarin elke gedachte, prettig of onprettig, moeiteloos verschijnt en weer verdwijnt.
De Praktijk
Wie wil mediteren, om tegemoet te komen aan de ingeslepen drang om iets doen, kan het beste enkele belangrijke punten in het oog houden die je kunnen helpen. Het is belangrijk om een eigen hoekje te hebben waar ongestoord gemediteerd kan worden. Het is prettig, vooral in het begin, als dit hoekje zo stil mogelijk is en dat de temperatuur er prettig is. Het is nuttig om tijdens een meditatie geen kleding aan te hebben en in een ongebruikelijke maar wel comfortabele houding te gaan zitten. Men kan bijvoorbeeld de kleermakerszit aanleren; als die ons in het begin moeilijk valt, oefenen we elke dag een minuut, totdat het geleidelijk aan gemakkelijker gaat en we er tenslotte moeiteloos in kunnen zitten. Daarbij mag onder geen enkel beding iets worden geforceerd; wie geweld gebruikt, loopt groot gevaar zijn knie- of enkelpezen te scheuren, of zijn meniscus aan de chirurg ter reparatie te moeten aanbieden.
Wie in het begin moeite met deze houding heeft, gaat na een minuut, of geleidelijk aan na een wat langere periode, weer in een gebruikelijke houding zitten. Het voordeel van de kleermakerszit is dat die ongebruikelijk is: daardoor hebben we een extra hulpmiddel om de oude manier van kijken los te laten. Zitten we gemakkelijk, dan kunnen we bepaalde hulpmiddelen gebruiken als vervolg van onze aanloop. We kunnen bijvoorbeeld denken aan iets wat we niet dagelijks tegenkomen, zoals een in Nederland niet veel voorkomend dier: een olifant of een giraffe. Zodra dat woord klinkt, verschijnt er in het denken een plaatje van deze vreemde wezens. Dat gebeurt moeiteloos. En nu is de clou van deze inleiding tot onze meditatie, dat we daar nota van nemen. Meditatie is, op een bepaalde manier nota te nemen van bepaalde feiten.
Feit 1
Gedachten verschijnen volkomen moeiteloos in het bewustzijn. Anders gezegd: het bewustzijn neemt een ogenblik moeiteloos de vorm aan van een olifant, een giraffe, of welk ander bekend object dan ook.
Feit 2
Zo een voorstelling, en elke andere gedachte, is niets anders dan een beweging in en van het bewustzijn. Ze verschijnt moeiteloos, laat zich enkele tellen waarnemen, en verdwijnt dan weer om plaats te maken voor een volgende voorstelling.
Feit 3
Het terrein van onze aandacht wordt gevuld door slechts één gedachte tegelijk. Gedachte a moet verdwenen zijn, wil gedachte b op het scherm kunnen verschijnen.
Feit 4
De voorstelling ´olifant´ verscheen moeiteloos, zonder dat daar tegelijk een tweede gedachte bij verscheen, zonder dat er een ´ik´ was die de olifant bedacht. Wanneer ik beweer dat ´ik´ gedacht heb aan een olifant, is dat een tweede gedachte, die pas kan verschijnen als de eerste gedachte, het beest met de slurf, is verdwenen. Met andere woorden: dat ´ik´ wordt pas na afloop van een bepaalde gedachte aan zo’n afgelopen gedachte vastgeprikt, en dat ten onrechte. Want het is duidelijk te zien dat dat ´ik´ niet aanwezig was bij het verschijnen van de olifant. De olifant, met andere woorden was niet het product van het ´ik´, dat er helemaal niet bij was. Daaruit volgt het volgend feit.
Feit 5
Gedachten verschijnen niet in een ´ik´, maar in het bewustzijn.
Feit 6
Dat ´ik´ is zelf een gedachte. Bij scherp kijken blijkt dat wanneer er een ´denker´ in het bewustzijn verschijnt, die denker zelf niets meer en niets minder is dan een gedachte. En de ene gedachte verschijnt niet in de andere; elke gedachte verschijnt in deze bewuste aandacht die ik volkomen moeiteloos ben.
Feit 7
De denker is een gedachte, die ten onrechte wordt aangezien voor ´ik´. Zelfs de gedachte ´ik´ is niet meer dan een gedachte die maar af en toe eens verschijnt; terwijl de olifant op het scherm verscheen, was er geen spoor van dat ´ik´ te ontdekken. Er waren toen twee dingen: het plaatje genaamd ´olifant´, en de helderheid, het bewustzijn, de kennende tegenwoordigheid, waarin dat plaatje verscheen, en waaruit het zich in feite vormde.
Feit 8
Wat ik werkelijk ben is niet iets dat af en toe eens verschijnt, onverschillig of het gaat om de gedachte ´olifant´ of om de gedachte ´ik´. Wat ik werkelijk ben, is dit heldere, bewuste, aandachtige Tegenwoordig Zijn, waarin eerst het ene, toen het andere plaatje verscheen. Zo werpen we in de meditatie even een blik op het denken, en nemen we nota van enkele feiten. Scherper kijkend, anders kijkend dan we gewoon zijn, ontdekken we allerlei heel simpele zaken, waar we vermoedelijk tot nu toe steeds aan voorbij gelopen waren. De belangrijkste van deze ontdekkingen is het feit dat ik niet bepaalde voorstellingen ben, ook al noem ik die ´ik´; en het feit dat ik wel deze moeiteloze, heldere Tegenwoordigheid ben, van waaruit ik kijk naar deze verschijnende en verdwijnende beelden, woorden en gevoelens. Ik ben dus niet allerlei voorbijflitsende gedachten; wel de helderheid waarin ze verschijnen.
Na deze ontdekkingen of herontdekkingen kunnen we onze aandacht richten op het lichaam, of, beter gezegd: op het waarnemen van een serie indrukken die we ´het lichaam´ noemen. Doordat we naakt zitten en misschien in de kleermakerszit, kunnen er enkele elementen zijn die ons komen lastig vallen. Zo zijn we gewend met kleren aan te leven, en naakt zijn wordt daardoor al heel gauw geassocieerd met seksualiteit. Wie merkt dat het naakt zijn hem of haar prikkelt, hoeft zich daar niet ongerust over te maken: hij, (─we blijven niet steeds herhalen ´hij of zij´─) kan daar precies zo nota van nemen als zoeven van de verschijnende olifant.
Feit 9
Als we ´mijn lichaam´ zeggen, wat bedoelen we dan precies? Meestal nemen we maar een klein stukje van het lichaam waar, hoogst zelden het geheel. Sprekend, of terloops denkend over ´mijn lichaam´, komt er slechts een vage voorstelling in het denken, een handjevol herinneringen, zelden de levende ervaring van het lichaam zoals dat zich nu, op dit ogenblik, als heldere waarneming aanbiedt. Als we over ´mijn lichaam´ spreken, spreken we over iets dat tot begrip is geworden.
Feit 10
Wanneer we onze aandacht welbewust op het waarnemen van het lichaam richten, ontdekken we dat ook het lichaam bestaat uit een serie waarnemingen die verschijnen in het bewustzijn. Net als de waarneming van de olifant in feite bestond uit niets anders dan uit bewustzijn waar dat plaatje in verscheen, bestaat ook de waarneming waarin het lichaam verschijnt uit niets anders dan ditzelfde bewustzijn. Voor ieder van ons bestaat de olifant pas wanneer hij in het bewustzijn verschijnt en precies hetzelfde geldt voor het lichaam. Wie een spannend boek zit te lezen ervaart op dat ogenblik geen lichaam. Dit leidt ons, als we helder aanwezig blijven in het waarnemen, tot de ontdekking van het volgend feit.
Feit 11
We zijn altijd, volkomen moeiteloos, deze heldere Kennendheid. Daarin verschijnt nu eens een beweging die we ´olifant´ noemen, dan weer een beweging die we ´arm´, ´been´, ´buik´ of
´prikkeling of hoofd´ noemen. Wat de ervaring van ieder van ons betreft, bestaat zowel de olifantals het lichaam pas op het ogenblik dat zij verschijnen in deze helderheid die we zijn. Daarbij valt het op dat we op zo’n ogenblik geneigd zijn om met volledige overgave te geloven dat we een aantal van die verschijnende dingen zijn, althans tijdens de momenten waarop ze verschijnen. Ik ben echter niet mijn arm of mijn been, want ik besef dat ik nog zou bestaan zonder arm of been, maar zonder lichaam wordt dat al heel moeilijk.
Het lichaam voelt ieder van ons aan als ´ik´, en precies hetzelfde geldt voor bepaalde gedachten: wanneer de gedachte ´denker´ in het bewustzijn verschijnt, ben ik er op dat ogenblik diep van overtuigd dat ik die denker ben. Verschijnt ´het lichaam´ dan ben ik er op dat ogenblik even diep van overtuigd dat ik dat lichaam ben. Verschijnt tijdens de droom Napoleon dan ben ik er net zo diep van overtuigd dat ik die ben. Bij heel scherp kijken wordt het duidelijk hoe dat in z’n werk gaat: er verschijnt (in de wakende toestand) een bepaald beeld waarvan me ooit is verteld dat ik dat ben. Er is mij als kind vermanend verteld dat ik moet denken voordat ik iets zeg. De conclusie is geweest dat ik dus een denker ben. Nu verschijnt die voorstelling, ─meestal is die zo automatisch geworden dat we kunnen spreken van een reflex─, en onmiddellijk kruip ik in dat plaatje en beschouw mezelf als die gedachte: de Heer Denker.
De waarneming genaamd ’lichaam’ verschijnt, en automatisch spring ik erin, en ik zeg dat ik mager ben of dik, gezond of ziek, lang of klein, blank of bruin. Maar met de ontdekking dat ik niet al die verschijnende dingen ben, maar de Tegenwoordigheid waar ze in verschijnen en uit bestaan, wordt het al duidelijk dat ik noch denker, noch lichaam ben. Ik ben ook als het lichaam ‘Napoleon´ er is en door mij ´ik´ wordt genoemd, en dit lichaam van de wakende toestand nergens te bekennen valt. Ik ben er zelfs wanneer noch het lichaam uit de wakende toestand, noch die uit de droom aanwezig is, zoals tijdens de diepe droomloze slaap.
Het belangrijke in de meditatie is dat we ons al kijkende losmaken van de overtuiging dat we
allerlei elkaar opvolgende waargenomen dingen zijn, zoals lichaam, denker, huisvrouw, zoon,
fietser of luisteraar.
Het wordt steeds duidelijker, dat ik zelf de stille, bewuste ´kern´ ben, de toeschouwer waarin de activiteiten van het lichaam en de zintuigen, van denken en voelen, van de wakende toestand en de droom zich komen laten waarnemen zonder dat ik daar iets voor hoef te doen. Er is alleen sprake van inspanning wanneer ik een beeld inspring en me verweef met bijvoorbeeld het lichaam. Dan moet ik een zware emmer tillen, of ben ik moe na een lange reis. Maar wanneer ik mij opstel als waarnemer, trekken het tillende lichaam, de moede schouders na enkele uren autorijden, en heel het panorama van de gebeurtenissen in en rond een lichaam, als een film aan me voorbij. Het wordt duidelijk dat het lichaam actief is, net als het denken en voelen, maar dat die activiteiten niet echt een ´ik´ betreffen. Ik ben en blijf onveranderlijk en moeiteloos de waarnemer, niet alleen van de activiteiten van bet lichaam, maar van alle dingen die verschijnen in, en na enkele ogenblikken weer verdwijnen uit het bewustzijn.
Feit 12
Ook het functioneren van de zintuigen is, telkens één voor één, een beweging in het Bewuste Licht dat ik ben. Is de aandacht er niet, dan functioneert het zintuig niet. Lees je dit aandachtig, dan zijn er geen geluiden van het verkeer dat langs het huis rijdt. Terloops zij daar iets heel belangrijks bij opgemerkt: er is ook geen gewaarwording van de afwezigheid van deze verkeersgeluiden, enkel van de aanwezigheid van het lezen van deze tekst.
Feit 13
Wat wij de wereld noemen is niets anders dan een waarneming in de geest, van zintuigelijke
beelden welke middels het geheugen tot een tijdelijke eenheid worden geprojecteerd. We lezen nooit een hele zin tegelijk, telkens één of enkele woorden; het geheugen maakt er, als we bij het laatste woord zijn aangekomen, één geheel van, en dan zegt de reflex in ons: “Ik heb die zin gelezen.”
Feit 14
Als we steeds duidelijker nota nemen van het feit dat we niet een lichaam, niet het functioneren van de zintuigen, van het geheugen, het denken en het voelen zijn, maar altijd volkomen moeiteloos hun waarnemer, dan wordt het zonneklaar dat wij waarnemer zijn van de bewegingen die we vaak zien als tijd. Met andere woorden: als er een manier van denken verschijnt die we ´de tijd´ noemen, dan verschijnt die in ons. Wij zijn niet een wezen dat gebonden is door de tijd; de tijd is een manier van denken in ons.
Feit 15
De tijd ontstaat doordat de optische illusie van het geheugen gelijktijdigheid projecteert op dingen die nooit gelijktijdig kunnen zijn; het projecteert duur waar geen duur kan bestaan. Dit leidt tot de illusie van een durende persoonlijkheid. Het verlengstuk van deze geheugenproductie is een durende wereld. Zie ik dat ik de waarnemer ben van dit gebeuren, dan blijkt ook dat er geen durende persoonlijkheid is, en daarmee verdwijnt ook de duur die op ´de wereld´ werd geprojecteerd. Vanaf dat ogenblik zien we dat wat we ´de wereld´ noemen iets is, een beweging in het bewustzijn, dat enerzijds voor zijn verschijnen volkomen afhankelijk is van het bewustzijn en dat zich anderzijds geheel voltrekt binnen het bewustzijn. De wereld is een serie bewegingen die zich voltrekt binnen mij. Ik ben niet iemand die in de wereld leeft.
Feit 16
Wanneer er een beweging in het bewustzijn verschijnt, neemt de Bewuste Tegenwoordigheid die we zijn tijdelijk de vorm aan van waarnemer. Verdwijnt de beweging, dan verdwijnt ook de waarnemer. Verdwijnt de waarnemer, dan verdwijnt ook de wereld. De wereld (─met inbegrip van de stukken die we ´ik´ noemen─) en de waarnemer zijn van elkaar afhankelijk. De wereld hangt voor zijn verschijnen af van de waarnemer; dit geldt ook omgekeerd. Na het verdwijnen van de waarnemer blijft echter niet niets over, maar deze Helderheid die we altijd moeiteloos zijn. Deze Helderheid is van niets afhankelijk. Alleen zij maakt het mogelijk dat waarnemer en wereld verschijnen. Zijn ze er niet, dan wordt deze Helderheid daar op geen enkele wijze door beïnvloed. Zijn ze er wel, dan wordt deze Helderheid daardoor evenmin beïnvloed. Ashtavakra, de grote Guru, zegt tegen zijn leerling Koning Janaka : “You are the One, Pure Consicousness. Nothing can leave an impression on you.” In vertaling klinkt het aldus: “Jij bent dit éne, heldere, onvermengde Bewuste Zijn. Niets kan een spoor in je achterlaten.”
Sporen lijken alleen achter te blijven wanneer er verweving is met het een of ander object dat wij projecteren in tijd en ruimte; daarmee komt de optische illusie tot stand die wij het geheugen noemen en die ons doet geloven dat een gedachte die nu verschijnt, in werkelijkheid iets zou zijn of vertegenwoordigen dat wij het ´verleden´ noemen. Kijkend naar de bewegingen zien wij echter dat een gedachte of een waarneming die is afgelopen, heeft opgehouden te bestaan, met andere woorden: er bestaat niet zoiets als het verleden.
Wie meent dat hij gebonden is, denkt dat een fantasie die hij niet is (de persoonlijkheid) wordt
gebonden door iets wat niet bestaat (het verleden). Het volkomen helder doorzien van deze illusie leidt onmiddellijk tot de herkenning van de vrijheid die wij zijn, en daarmee tot wat ´bevrijding´ wordt genoemd. Maar in feite heeft er nooit iemand bestaan die gebonden was, en daarom is er ook niemand die wordt bevrijd. Alleen de illusie, die meent dat ik allerlei dingen ben die verschijnen in tijd en ruimte, houdt op te bestaan.
Tenslotte gaat de meditatie over in niet-meditatie: in de herkenning dat alle dingen die wij kennen verschijnen in de Ene Helderheid die wij zelf zijn. Zijn er vormen, dan bestaan die vormen uit Dat wat wij zijn. Zijn er geen vormen, dan is er alleen dit Licht dat wij zijn. Zo zien we altijd en overal niets anders dan wat we zijn. Dat is de ervaring die we vrijheid noemen. En dat is de betekenis van de uitspraak dat de verlichte de hele dag doorbrengt in de contemplatie van het Zelf: hij weet, als geleefde Ervaring, dat er niets anders bestaat.